Vanochtend, woensdag 29 juni, was het dan zover. Na 5 jaar gewacht te hebben, deed de hoogste bestuursrechter in Nederland, de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State, eindelijk uitspraak over het ingezetenecriterium oftewel de Maastrichtse wietpas. Nee, luidde het antwoord van de rechter, Maastricht mag dit criterium niet in de APV neerleggen.
Door de twee partijen, een coffeeshophouder en de burgemeester van Maastricht, waren verschillende argumenten aangevoerd, die door de rechter bekeken moesten worden. Daarnaast kan een bestuursrechter ook altijd zelf dingen aanvoeren, waarvan hij vindt dat ze relevant zijn voor een zaak.
In de eerste plaats heeft de hoogste rechter advies gevraagd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, omdat de vraag kon worden gesteld of er sprake was van strijd met het Europees Recht. Volgens het Hof van Justitie was er geen sprake van strijd met het Europees recht. De hoogste bestuursrechter deelt deze mening. Daarna heeft de rechter gekeken of er wellicht strijd was met artikel 1 van de Grondwet. De rechter geeft aan dat, gelet op de overlast in Maastricht, de openbare orde door niet-ingezetenen zo wordt aangetast dat hij vindt dat het ingezetenecriterium dan ook niet in strijd is met de Grondwet. Let wel: de rechter benoemt hierbij expliciet de specifieke situatie in Maastricht. De haan die victorie kraait omdat “de rechter heeft gezegd dat een ingezetenecriterium niet in strijd is met de Grondwet” kon nog wel eens van een koude kermis thuiskomen, omdat rechtspraak vaak erg casuïstisch is. Als laatste is de APV van Maastricht getoetst aan een hogere regeling: de Opiumwet. Lagere regelgeving mag namelijk nooit in strijd zijn met hogere regelgeving. De rechter komt -kort gezegd- tot de conclusie dat de APV van Maastricht strijdig is met de hoger regeling, de Opiumwet, omdat de APV nadere regulering van de softdrugs regelt, terwijl op basis van de Opiumwet nu juist de verkoop van softdrugs verboden is. Gelet op dit absolute verbod bestaat er dus geen ruimte voor nadere regels met betrekking tot de verkoop van softdrugs in de gemeentelijke verordening. En dus is de deur naar deze Maastrichtse wietpas vanaf vandaag definitief gesloten. En ja, de persvoorlichting van de Raad van State heeft gelijk dat hiermee niet alle deuren “om iets met de APV te doen” gesloten zijn, maar wat schieten we in praktijk op met dergelijke theoretische wijsheden? Gaan we weer een “experiment” in onze APV vastleggen en vervolgens weer 5 jaar procederen?
Mag een dergelijk criterium wel in de Opiumwet worden neergelegd? Is het in alle redelijkheid van een rechts kabinet te verwachten dat de Opiumwet met een dergelijke bepaling wordt uitgebreid: van een verbod op softdrugs in de Opiumwet naar het nader reguleren van softdrugs in de Opiumwet? Dat zou toch een novum van deze rechtse partijen zijn. In dat geval word je als PvdA bijna over links ingehaald!
Je zou verwachten dat er na vandaag eindelijk een antwoord van het Ministerie komt. Het Ministerie is immers al maanden aan het broeden, en me dunkt dat op den deur toch wel het ei gelegd zou moeten zijn. Maar weer komt er geen concreet antwoord, behalve dat “de invoering van de wietpas gewoon door kan gaan”. Zouden wij lagere overheden, die dagelijks geconfronteerd worden met de drugsoverlast eindelijk eens een keer mogen weten hoe dat dan gebeurt, en mogen wij ook eens een keertje van het Ministerie vernemen wanneer een en ander werkelijk gaat worden ingevoerd? Juist deze minister zou zich als oud-burgemeester van Rotterdam toch aangesproken moeten voelen bij het credo “geen woorden, maar daden”. Zolang de minister nalaat met deze belangrijke informatie over de brug te komen moet Maastricht haar eigen plan trekken. We kunnen immers niet nog langer wachten met het nemen van maatregelen om de drugsoverlast tegen te gaan. Na vandaag is er naar mijn mening dan ook nog meer de urgentie aanwezig om snel aan de slag te gaan met het spreidingsplan coffeeshops.
Manon Fokke, Fractievoorzitter PvdA Maastricht