Mijn column kan deze maand echt over niemand anders gaan dan over Jan en Yvonne. Nooit eerder heb ik zo geworsteld met
het op papier zetten van een verhaal. Dit verhaal is zo bijzonder, zo verdrietig en toch zo tekenend voor ons Huis dat ik het alleen maar wil vertellen op een manier die volledig recht doet aan dit ons zo dierbare gezin. In het volle besef dat het vertellen van het verhaal van een ander altijd beperkt zal worden door mijn eigen interpretatie ervan, ga ik het toch proberen. Omdat het verteld moet worden.
Jan en Yvonne wonen in het Brabantse dorpje Asten en zijn de trotse pappa en mamma van Sander. Sander wordt twee jaar geleden gezond geboren maar als hij 8 maanden oud is wordt hij plotseling heel erg ziek. Een hersenvliesontsteking brengt hem op het randje van de dood. Negen weken ligt Sander in het ziekenhuis en wonen Jan en Yvonne in ons Ronald McDonald Huis. Sander overleeft deze zware tijd; helaas niet zonder kleerscheuren: naast doofheid en een waterhoofd houdt hij er een zware vorm van epilepsie aan over. Gevolg: hij moet continu behandeld worden met verschillende soorten medicijnen.
Voor de artsen is het heel moeilijk om Sanders epilepsie onder controle te houden. De broze gezondheid maakt het noodzakelijk dat Sander regelmatig op de kinderafdeling van het azM ligt. Dus logeren Jan en Yvonne al die keren in ons Huis. De vader en moeder van Sander voelen zich heel erg thuis bij ons en noemen ons Huis hun “herberg” in moeilijke tijden. We kennen elkaar ondertussen goed en samen met Opa Joep en Oma Gonnie, die er altijd zijn om Jan en Yvonne te steunen, hebben we al heel wat kopjes koffie gedronken in de woonkamer van ons Huis. We ondervinden dat deze familie heel hecht is, beschikt over een heerlijke dosis (zwarte) humor, een heldere kijk heeft op de realiteit en een onvoorstelbaar relativeringsvermogen.
Begin van het jaar hebben Jan en Yvonne heel bijzonder nieuws: er is een tweeling op komst! Twee kleine meisjes zijn onderweg om van Sander een grote broer te maken! Zo af en toe zien we elkaar, soms bij een opname en soms als Sander voor een controle in het azM moet zijn en ze gezellig een “bakkie” komen doen in ons Huis voordat ze weer terug naar Brabant rijden.
En elke keer dat we elkaar zien, is de buik van Yvonne een beetje meer gegroeid. Wanneer Sander in augustus opnieuw in het azM wordt opgenomen, loopt Yvonne al flink te waggelen. Ze gaat richting de 32 weken zwangerschap en dat is goed nieuws bij een meerling! Met regelmaat zeg ik de dames in Yvonne’s buik de dames “de wacht aan” en sommeer ze om nog even lekker te blijven zitten waar ze zitten. De gynaecoloog in het ziekenhuis wil Yvonne eigenlijk preventief opnemen. Omdat ze toch in het Ronald McDonald Huis woont, zolang Sander in het azM ligt, mag ze elke dag komen voor een CTG-onderzoek zodat de meisjes én Yvonne goed in de gaten worden gehouden.
Op donderdag 1 september ligt Yvonne op de CTG-tafel . Dan wordt het heel stil in de kamer. De gynaecoloog hoort nog maar één hartje kloppen. De meisjes moeten er meteen uit en dus wordt Yvonne in allerijl naar de operatiekamer gebracht. Ik hoor het, heel toevallig, via een verpleegkundige die ik aan de telefoon heb en ik ga snel op zoek naar opa Joep en oma Gonnie, die bij Sander op de kinderafdeling zijn.
Ik wil en kan niet geloven dat het echt waar is en hoop stiekem dat er een vergissing in het spel is. Binnenkomend in het kamertje van Sander zakt mijn hart in mijn schoenen: opa Joep schiet onmiddellijk vol als hij me ziet en oma Gonnie vertelt dat ze eigenlijk alleen maar weten dat één kindje het niet gered heeft. Hoe het met het andere meisje en met Yvonne gaat weten ze niet. We zitten bij elkaar en voor het eerst in al die jaren dat ik in het Huis werk huil ik mee. Uren later is er duidelijkheid. Twee kleine meisjes zijn geboren. Baby Elke was bij de geboorte al overleden en baby Imke ligt in de couveuse te vechten voor haar leven.
Ik denk aan Jan, wiens volledige gezin in het azM is opgenomen. Zijn vrouw op de kraamafdeling, zijn zoon op de kinderafdeling, één dochter op de couveuse-afdeling en één dochter in het mortuarium. We branden kaarsjes in het Huis en zijn allemaal totaal van slag.
Niets liever dan dat ik dit in- en intrieste verhaal zou afsluiten dat het met Imke toch nog allemaal goed kwam. Niets is minder waar: Twee dagen later moeten Jan en Yvonne ook afscheid nemen van hun dochter Imke. Ze heeft het niet gered.
Wat volgt is een week die haast niet te beschrijven is. Vanuit ons Huis, waar Yvonne weer terug is nu ze ontslagen is uit het ziekenhuis, werkt de hele familie hard aan een prachtige afscheidsdienst voor Elke en Imke. Tranen vloeien met liters….. maar toch, zo tekenend voor dit gezin, bij momenten wordt ook voluit – soms gierend – gelachen. Nooit zag ik meer veerkracht en warmte. Deze familie toonde mij het onmogelijke.
Wij doen vanuit het Huis wat we kunnen, redderen met koffie en koekjes, luisteren, knuffelen, praten en branden nóg meer kaarsjes. Jan en Yvonne vinden het fijn als ik naar het afscheid kom. Ik ben blij dat ik daarbij mag zijn.
Een week later zit ik in een prachtig klein kerkje ergens in Brabant bij de meest hartverscheurende mooie afscheidsdienst die ik ooit bezocht. Naast me zit een collega van Yvonne en we raken even in gesprek over dit onwaarschijnlijke verhaal. We praten over dit gezin, zó zwaar getroffen en vergeefs zeggend dat we ze een prachtige tweeling hadden gegund. De vrouw vertelt hoe iedereen op afstand enorm meeleeft met deze bijzondere familie. Het treft me recht in het hart. Te midden van al dat diepe verdriet stijgt een overweldigend gevoel van dankbaarheid op. Ik realiseer hoe bijzonder het is dat ik in de afgelopen week zó dicht bij dit gezin heb mogen komen. En dat ons team, al is het maar héél eventjes, een stukje heeft mogen meelopen op hun pad; hun hand hebben mogen vasthouden.
Meer nog beseffen wij in Ronald McDonald Maastricht hoe verbondenheid, liefde en compassie het beste in ons allen naar boven brengt.
Want we kunnen niets DOEN.
Maar we kunnen er wel ZIJN.
En dat is, heel misschien, soms nét genoeg.
Margo de Kock